Een kanaal op de meseta. Toeristische ontwikkeling kan ontvolking niet stoppen

1 september 2022
Dit artikel is verschenen in: geografie september 2022
toerisme
Kennis
FOTO: JAN MANSVELT BECK
Het oude sluizencomplex bij Frómista.

Op de Spaanse hoogvlakte ligt een 18e-eeuwse trekvaart: het Canal de Castilia. Sinds dertig jaar probeert men het in verval geraakte kanaal om te toveren tot een toeristische attractie. Dit om de ontvolking van het gebied tegen te gaan. Maar de geschiedenis lijkt zich te herhalen; de enorme investeringen komen te laat.

BEELD: J.B. KÖBBEN/GEOGRAFIE

In de jaren 1980 vraagt een kleine groep enthousiastelingen aandacht voor de restanten van het Canal de Castilia als industrieel erfgoed (zie kader Verlichting). De bewoners van de door ontvolking getroffen streek raken geïnteresseerd als enkele visionairs opperen het kanaal te benutten als toeristische attractie. In 1985 onderzoekt geograaf Francisco Leno Cerro het toeristisch potentieel en in 1991 krijgt het kanaal een beschermde status van de regering van de autonome gemeenschap van Castilië en Leon. Daarna raakt de overheidsbemoeienis met het kanaal in een stroomversnelling.

Verlichting: ontwikkeling van het binnenland
gedenkteken aanleg kanaal

Het Canal de Castilia is een product van de Verlichting, die in het midden van de 18e eeuw de Spaanse politiek beïnvloedt. Kanalen moeten het binnenland verbinden met de kust. Zo kan het geoogste graan vandaar naar elders vervoerd worden en neemt de bedrijvigheid toe. In 1753 wordt een begin gemaakt met de aanleg van het kanaal in Alar del Rey, waar de rivier de Pisuerga wordt afgetapt. Het kanaal, 207 km in de vorm van een omgekeerde Y, komt pas 96 jaar later gereed, omdat de bouw vanwege conflicten en geldgebrek vaak stilligt. In 1835 vaart het eerste schip door een voltooid deel van het kanaal. De hoogtijdagen van de scheepvaart liggen in de vroege jaren 60 van de 19e eeuw, als honderden schepen getrokken door muilezelspannen de meseta doorkruisen. De lading bestaat uit tarwe en tarwemeel gemalen in de watermolens bij de sluizen. Vanaf Alar del Rey wordt de lading over de weg naar de haven van Santander vervoerd.

Als in 1864 de spoorlijn naar Alar del Rey wordt voltooid, raakt het kanaal in het slop. Scheepswerven, graanpakhuizen en watermolens worden steeds minder gebruikt. In 1920 vaart de laatste trekschuit door het kanaal. De 49 sluizen die de bijna 150 m hoogteverschil helpen overbruggen, worden verwaarloosd, evenals de aquaducten, kades, bruggen en jaagpaden. Het kanaal blijft wel zijn nut behouden voor bevloeiing en drinkwatervoorziening.

Actieve overheid

Van begin af aan is duidelijk dat het herstel van het erfgoed uiterst kostbaar is. Het hele kanaal weer bevaarbaar maken is veel te duur, net als de restauratie van de vele watermolens, sluiswachtershuizen, werven, dokken, dammen en aquaducten. Daarom wordt besloten korte stukken (tussen 4 en 8,5 km) weer bevaarbaar te maken en een deel van de pakhuizen, werven en kades op te knappen voor toeristisch gebruik. In Palencia, Medina de Rioseco en Villaumbrales komen musea. De provincies schaffen elektrische rondvaartboten aan die vanuit Frómista, Herrera de Pisuerga, Medina de Rioseco, Melgar de Fernamental en Villaumbrales gaan varen.

De EU en de nationale, regionale en provinciale overheden investeren miljoenen euro’s in de restauratie van sluizen, aquaducten, bruggen en in milieubescherming. Gaandeweg komt er een toeristische infrastructuur tot stand. De jaagpaden zijn bewegwijzerd en geschikt gemaakt voor mountainbikes. Korte trajecten zijn bevaarbaar voor elektrische rondvaartboten en kano’s. Gebouwen zijn gerestaureerd en in gebruik als bezoekerscentra, musea en accommodatie. Alles is gericht op milieuvriendelijk familietoerisme met respect voor de lokale bevolking. De nationale en regionale overheden proberen met hulp van Europese fondsen (Leader, Life, Proder) de lokale bevolking te betrekken bij de ontwikkeling van het toerisme om ze een bestaansperspectief te bieden en verdere ontvolking tegen te gaan.

De regio Castilië en Leon en de provincies Palencia, Burgos en Valladolid doen er veel aan om het kanaalproject in de publiciteit te brengen. Gratis museumdagen, openstelling van monumenten en een jaarlijkse mountainbiketocht vergroten de bekendheid van het kanaal. Via glanzende brochures en internet wordt Spaanstalige informatie verspreid. De toeristen zijn dan ook Spanjaarden, merendeels afkomstig uit de regio.

Cijfers over overheidsinvesteringen in het kanaalproject zijn slechts hier en daar te vinden. Op basis van lokale persberichten schatten we de overheidsbestedingen (exclusief de EU-fondsen) tussen 1994 en 2020 op minstens 20 miljoen euro. Eind september 2020 bedraagt de overheidsbegroting (Spanje, regio, provincie) voor de bevordering van het kanaaltoerisme in Palencia nog altijd 3 miljoen euro. Wat zijn de resultaten van deze enorme financiële injectie?

FOTO: JAN MANSVELT BECK
Rondvaartboot bij Frómista.

Dagjesmensen

De boten en de musea trekken voornamelijk dagjesmensen uit de eigen regio. In de topjaren 2018 en 2019 vervoeren de boten in Palencia 13.600 en 12.000 passagiers in respectievelijk Herrera de Pisuerga en Frómista. Met tarieven van 5 euro per persoon en reducties voor kinderen en pelgrims in Frómista zijn de rondvaarten verliesgevend. Datzelfde geldt voor de boot van de provincie Burgos die vanuit Melgar de Fernamental vaart. Dankzij de provinciale subsidies kunnen de boten blijven varen. Het hoogseizoen valt in de paasweek en in augustus, wanneer voornamelijk dagjesmensen gebruik maken van de boten. In het laagseizoen worden de plaatsen gevuld door kinderen op schoolreis. In Frómista wordt geprobeerd pelgrims met een tarief van 3 euro naar de boten te lokken. Dat is echter geen succes, want nog geen 5% van de bootpassagiers is pelgrim, terwijl er jaarlijks meer dan 50.000 passeren. De boot en de meelfabriek in Medina de Rioseco zijn elk met zo’n 40.000 bezoekers per jaar relatief succesvol. De nabijheid van de stad Valladolid en randgemeenten met ruim 400.000 inwoners verklaart mede het succes van het kanaalproject in Medina de Rioseco, een stadje met 4600 inwoners, dat ook monumentale kerken en twee musea huisvest.

Het toeristisch aanbod dat dagjesmensen trekt, beperkt zich tot de plaatsen waar rondvaarten worden georganiseerd, en tot museumlocaties. Daar is langs korte stroken het meeste erfgoed gerestaureerd. Daarbuiten is veel industrieel erfgoed in ruïneuze staat. Langs het 75 km lange Canal del Norte zijn slechts 10 van de 24 sluizen in goede staat, 28 van de 41 bruggen en 5 van de 23 aquaducten.

De oude jaagpaden zijn geschikt gemaakt voor fietsers, maar het fietstoerisme komt niet van de grond. De jaagpaden hebben bewegwijzering, maar verwijzing naar de nabijgelegen dorpen ontbreekt. Er zijn nauwelijks reparatiefaciliteiten en de schaarse fietsers klagen over slecht schoongemaakte paden. Vreemd genoeg beschikt de overheid niet over gegevens over het fietstoerisme, waarin het toch zo veel heeft geïnvesteerd.

Terwijl het toerisme zich voornamelijk beperkt tot dagjesmensen, is de logeercapaciteit fors uitgebreid. In de 27 voornamelijk rurale gemeenten langs de noordelijke en zuidwestelijke tak (Canal de Campos) is het aantal bedden tussen 2005 en 2021 met ruim de helft (56,9%) toegenomen, van 935 tot 1469. Het gaat voor een belangrijk deel om jeugdherbergen opgezet door de provincie. Zonder deze accommodatie komt de groei uit op 35,6%. Vooral het aantal bedden in de casas rurales, kleinschalige logeergelegenheden vergelijkbaar met de gîtes in Frankrijk, is sterk toegenomen. Over de bezetting zijn weer geen cijfers beschikbaar. Het aantal restaurants is iets teruggelopen, maar de capaciteit (aantal zitplaatsen) is meer dan verdubbeld (137,1%).

Ondanks de groei van het toeristisch aanbod beklagen de verantwoordelijke politici zich regelmatig over het gebrek aan ondernemerszin bij de lokale bevolking. Aan de inzet van de autoriteiten ligt het niet. Ze hebben veel tijd en geld gestoken in het betrekken van de gemeenten en bevolking langs het kanaal (planvorming, informatieve bijeenkomsten, lokale media), cursussen over toerisme voor jongeren en pogingen om dorpelingen te betrekken bij de geplande toeristische bedrijvigheid. Want het welslagen van ruraal toerisme staat of valt bij de steun en betrokkenheid van lokale gemeenschappen, waar men elkaar kent en waar in een stabiele situatie de cultuur, waarden en normen worden doorgegeven aan jongere generaties. Maar juist daar schort het aan: de vergevorderde ontvolking heeft gemeenschappen doen verdwijnen.

BEELD: J.B. KÖBBEN/GEOGRAFIE

Leegloop

Volgens de Spaanse statistieken (INE) hebben de gemeenten langs het Canal del Norte en Canal de Campos tussen 1991-2020 respectievelijk 33,8 en 22,5% van hun bevolking verloren (figuur 2). De Campos-cijfers lijken iets minder dramatisch, maar schijn bedriegt, omdat verreweg de grootste gemeente, Medina de Rioseco, maar 8,3% kromp. Zonder dit stadje komt het bevolkingsverlies langs de Canal de Campos ongeveer op hetzelfde (32,8%) uit als dat langs de noordtak. In beide gevallen is de uittocht begin jaren 1950 begonnen. Van 1950 tot 2020 kromp de bevolking langs het Canal del Norte en het Canal de Campos (zonder Medina de Rioseco) respectievelijk 62 en 64,8%. De bevolking is er sterk vergrijsd; jonge, ondernemende mensen hebben de streek verlaten.

Een teken aan de wand is dat er basisscholen verdwijnen. Van de 27 gemeenten hebben er nog maar 9 een school. De sluiting van een dorpsschool bezegelt de doodsstrijd van de gemeenschap. Gezinnen met kinderen trekken weg, met in hun kielzog de eerstelijnsgezondheidszorg, het openbaar vervoer en banken.

Ook een minder zichtbare vorm van migratie tast gemeenschappen aan. Een deel van de mensen die werken langs het kanaal, woont namelijk in de provinciehoofdstad. Daar zijn meer voorzieningen voor onderwijs, sport en cultuur en kunnen kinderen naar vervolgonderwijs. De aanleg van snelwegen en het toegenomen autobezit hebben een stroom urbaan-rurale forenzen gecreëerd. Een aanzienlijk deel van het midden en de top van de actieve bevolking die werkt in een klein gemeente, woont in de provinciehoofdstad. Dat is goed te zien in Frómista. Dit stadje heeft als kruispunt van de Camino de Santiago en het kanaal veel toerismesubsidie ontvangen, maar verloor tussen 1991 en 2020 bijna een derde van de bevolking. Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met de verbeterde ontsluiting: vanaf 2006 is Frómista via een snelweg verbonden met Palencia, dat nu in twintig minuten te bereiken is.

Ook boeren in de Mar de Cereales (de Graanzee) worden forenzen. Zij gaan enkel naar hun land als hun aanwezigheid daar vereist is. Forensisme ondergraaft de gemeenschap, wat tot uiting komt in het geringe aantal verenigingen. Stadjes als Frómista en Alar del Rey moeten het doen met een dozijn verenigingen, waaronder de onvermijdelijke seniorenclub. Alleen Medina de Rioseco, met meer toeristische attracties dan alleen het kanaal en een relatief hoog voorzieningenniveau, is de witte raaf onder de kanaalgemeenten, met 76 verenigingen.

FOTO: JAN MANSVELT BECK
Volledig gerestaureerd gebouw voor graanopslag in de oude stad Sahagún el Real, even zuidoosten van Paredes de Nava. Zulke investeringen kunnen de leegloop van het platteland niet keren.

Ontvolking gaat door

Wat kunnen we leren van de ontwikkelingen rond het kanaal? Fikse kapitaalinjecties door de overheid kunnen een groei van het rurale toerisme teweegbrengen. Maar de selectieve migratie die daaraan vooraf ging, heeft het platteland ontdaan van potentiële ondernemers. Daardoor komen er in reactie op het toerismebeleid nauwelijks lokale economische initiatieven van de grond. De ontvolking heeft de leefbaarheid van het platteland zo ver ondergraven dat steeds meer mensen in de stad gaan wonen en pendelen naar hun werk in de toeristische sector op het platteland. Zo worden gemeenschappen in dorpen en steden nog verder uitgehold.

De ontsluiting van het binnenland waarvoor activisten ijverden – in navolging van Del Molino’s boek La España Vacía (Het lege Spanje) – heeft de gebieden langs het Canal de Castilia paradoxaal genoeg verder ontvolkt. Pogingen deze trend te stoppen door het kanaal als toeristische attractie te ontwikkelen, zijn vruchteloos gebleken. Het economisch potentieel voor lokale ontwikkeling was daarvoor al te veel geërodeerd. Wat rest is een vrijwel leeg kanaal in een leeg landschap.

BRONNEN: